Flora & Fauna

Flora

Eiken-berkenbossen

De ondergroei in deze bossen wordt gekenmerkt door de grassen bochtige smele, zachte witbol, op vochtige plaatsen vooral door pijpestrootje en verder door liggend walstro, valse salie, hengel, wilgeroosje, smalle en brede stekelvaren en, vaak over vele vierkante meters dominerend, adelaarsvaren en braam. Soorten zoals blauwe bosbes, lelietje-van-dalen en dalkruid komen alleen zeer lokaal voor. Verder plaatselijk dalkruid en hengel.

Broekbossen

Naast de zwarte els als dominerende boomsoort groeien in de kruidlaag meestal zeggesoorten en veenmossen. Het soortenrijkere elzenbroekbos vindt men in een 20 tot 30 meter brede zone aan weerszijden van de Roode Beek. De soortenrijkdom van het elzenbroek langs de Roode Beek heeft te maken met het zeer ijzerrijke grondwater Afgezien van de kenmerkende zwarte els groeien in de kruidlaag planten zoals de moeraszegge, bittere veldkers, slanke sleutelbloem, dotterbloem, bosbies, groot heksenkruid, groot springzaad en de beide goudveilsoorten.

Droge heide

In het Meinweggebied komt een aantal typen heiden voor. Doorgaans wordt er een onderscheid gemaakt in droge en vochtige/natte heide. In het Meinweggebied vindt men allerlei overgangen en mengvormen van beide typen. Het reliëfrijke landschap draagt bij tot grote verschillen over geringe afstand.

In droge heide overheerst struikheide en komt dopheide niet voor. In dit type vegetatie komen nauwelijks andere soorten voor.

Op iets rijkere bodem verschijnen schapegras, pilzegge, tandjesgras, kruipbrem en stekelbrem. De stekelbrem is doorgaans in vochtiger milieus te vinden dan de kruipbrem. Naast deze bremsoorten groeit in de droge heide in het Meinweggebied ook de gewone brem.

Op plaatsen met minder betreding, vergraving of verstuiving, groeit de typische pionier van stuivend zand, het buntgras. Dit grijsgroene, soms blauwachtig groene gras legt het aanwezige pakket zand vast. Op enkele plekken gaat het buntgras in het Meinweggebied vergezeld van zandzegge, die met zijn lange uitlopers hetzelfde effect heeft als buntgras. Als door het buntgras en de zandzegge het grondoppervlak stabieler is geworden. treden ook andere pioniers op. Zeer karakteristiek is het ruig haarmos.

Vochtige heide

Vochtige heide onderscheidt zich van natte heide doordat de struik- en dopheide in wisselende verhoudingen voorkomen. Meestal overheerst de struikheide, maar na een brand kan dopheide tijdelijk domineren. Vochtige heide gaat plaatselijk over in een natte of drassige heide. In zulke heiden domineert de dopheide of Erica. De struikheide is er minder talrijk of zelfs geheel afwezig. Mooi ontwikkelde natte heide ligt bij het Elfenmeertje en de Vossekop.

In de vochtige en natte heiden van de Meinweg groeien naast de aspectbepalende dopheide ook veenpluis, ronde en kleine zonnedauw, witte snavelbies en zeer lokaal beenbreek, bruine snavelbies, veenbes en enige veenmossoorten. Bovendien zijn er op een enkel plekje ook planten van de heischrale graslanden aanwezig: liggende vleugeltjesbloem, klokjesgentiaan, tormentil, blauwe zegge, kruipwilg en heidekartelblad.

Over het algemeen is de dopheidevegetatie in de Meinweg minder rijk aan soorten en ziet men dopheide, pijpestrootje, veenbies en op open plekjes trekrus.

Op kale modderplekken in de drassige heide, bijvoorbeeld op afgeplagde plaatsen of langs venoevers groeien bruine en witte snavelbies. Meestal staan deze plekken ‘s winters onder water en drogen ze ‘s zomers oppervlakkig uit. Indien de omstandigheden ter plaatse gunstig zijn, kunnen zich naast dopheideplantjes ook blauwe zegge, ronde zonnedauw, trekrus of beide snavelbiezen ontwikkelen.

Vennen en beken

De meeste vennen in de Zandbergslenk zijn volledig of gedeeltelijk omringd met gagelstruweel. Gagel groeit in het Meinweggebied op vochtige tot zeer natte plaatsen en floreert vooral waar ondiep afstromend, zwak zuur, voedselarm grondwater opwelt. Gagel wordt in het Meinweggebied op zulke plekken soms vergezeld door beenbreek.

Wat hogere planten betreft, groeien in de bulten dopheide, veenbes en soms struikheide. Een echte hoogveenplant is het eenarig wollegras, dat in dichte pollen groeit en reeds in maart bloeit. Eenarig wollegras is verwant aan het in de Meinweg langs vennen talrijk groeiende veenpluis. Natuurlijk gedijt in deze omgeving ook zonnedauw.

In de Meinweg groeit de ronde zonnedauw op de voedselarmste plekken, zoals op de veenmosbulten. De kleine zonnedauw houdt meer van de slenken.

In het dal van de Boschbeek liggen de Vossekop, de Rolvennen en een aantal gegraven poelen. De Vossekop is een verzuurd ven met sterk wisselende waterstanden. Langs de oevers groeien snavelzegge, veenpluis, pitrus, een aantal veenmossen en tamelijk veel kleine zonnedauw en bruine snavelbies.

In het voedselarme milieu van het Sphagnum-ven (Drie Vennen) heeft men te maken met een geheel verland ven met veenmosdrijftillen. Het Elvermersven (vroeger wel Eendenpoel genoemd) is voedselrijk. In het oevergedeelte ervan groeit veel pitrus, verder mattenbies, wateraardbei en waterdrieblad.

Fauna

Vogels

De Meinweg is een belangrijk gebied voor vogels. De laatste vijf jaar zijn er tussen de negentig en honderdtien vogelsoorten waargenomen. Zestig soorten zijn broed- of standvogels. Het open landbouwgebied op het Beatrixplateau wordt door trekkende kraanvogels gebruikt als pleisterplaats.

In de heide zien we als meest opvallende vogels de fitis, de boompieper, de graspieper, de geelgors, de roodborsttapuit en de nachtzwaluw.

In de bossen broeden onder andere havik, buizerd, grote bonte specht, koolmees, pimpelmees, vink, vlaamse gaai en gekraagde roodstaart.

Bij de vennen leven wilde eend, fuut, waterhoen en waterral.

Zoogdieren

Door de grote afwisseling aan terreintypen en de ligging direct tegen het uitgestrekte bosgebied in Duitsland, biedt De Meinweg een goed leefgebied voor allerlei diersoorten. Vrijwel overal komen wilde zwijnen en reeën voor. De reeën zitten vooral in de droge beschutte delen. De zwijnen leven zich uit in de naaldbossen. Ze zijn echter zo schuw dat ze overdag zelden of nooit te zien zijn. Alleen hun sporen verraden hun aanwezigheid. Hetzelfde geldt voor de kleinere roofdieren zoals vos, bunzing, steenmarter, hermelijn en wezel. Een aardige uitzondering hierop is de eekhoorn. Die is te nieuwsgierig om schuw te zijn.

Kruipende dieren

Voor reptielen en amfibieën is het nationaal park een uitstekend leefgebied. Ze komen in grote aantallen voor en er leven vele soorten. Men vindt er reptielen als de adder, zandhagedis, levenbarende hagedis, hazelworm en gladde slang. Deze dieren komen ’s zomers boven de grond en koesteren zich in de zon. De gladde slang is echter zo zeldzaam dat men hem niet vaak zal zien. Voorts komen er twaalf van de zestien inheemse soorten beschermde amfibieën voor, waaronder de heikikker, de knoflookpad, de alpenwatersalamander en de vinpootsalamander.

Andere dieren

Enkele bijzondere vissoorten komen in de beken voor: de zeldzame beenprik, het bermpje en de kleine modderkruiper. In de vochtige delen zijn bovendien veel vlinder te vinden: ongeveer vijftig soorten dagvlinder en driehonderveertig soorten nachtvlinders.

Libellen

Het Meinweggebied behoort tot de soortenrijkste libellengebieden in Nederland.

Er zijn in dit gebied veertig verschillende libellensoorten waargenomen, waaronder waterjuffers, beekjuffer en glazenmakers.

Libellen houden van warmte en zijn te vinden nabij het water, onder andere langs beken, bij poelen en vennen. Vanaf mei kan men de eerste volwassen libellen tegenkomen. Nadat ze uit de laatste larvehuid zijn gekropen, hetgeen meestal ’s nachts of in de vroege ochtend gebeurt, vliegen ze rond om te eten en uit te kleuren. Libellen kunnen niet steken; in het achterlijf liggen slechts spijsverterings- en geslachtsorganen.

De laatste decennia hebben zich bij vele libellen, evenals bij andere planten en dieren, een drastische achteruitgang afgetekend. Libellen zijn voor hun voortplanting en ontwikkeling aangewezen op zuivere, heldere, voedselarme (stromende) wateren met structuurrijke vegetatie. Juist deze biotopen zijn door de activiteiten en ingrepen van de mens uitermate zeldzaam geworden. Het voortbestaan van de libellen in De Meinweg is afhankelijk van het beheer van poelen en vennen (biotoopbescherming) binnen het gebied en het terugdringen van negatieve invloeden van buitenaf (onder andere de grondwaterstanddaling).