Karakteristieken

Het nationaal park De Meinweg is geologisch gezien van grote betekenis, door het voor Nederland unieke terrassenlandschap, met een drietal steile overgangen tussen de verschillende terrassen. Deze zijn ontstaan door erosie van de in het verre verleden door Rijn en Maas afgezette sedimenten én door verschuivingen in de aardkorst.

Het totale hoogteverschil tussen de drie terrassen bedraagt 50 meter. Het Roerdal ligt 30 meter boven N.A.P. en het Beatrixplateau op 80 meter.

Dwars op de terrassen zijn twee beekdalen ontstaan: het dal van de Boschbeek en van de Roode Beek. Tussen deze beken en beekdalen liggen stille vennetjes en uitgestrekte bossen en heidevelden. Hier komt nog een redelijk grote adderpopulatie voor. Dat is de reden dat de adder voor komt in het logo van nationaal park de Meinweg.

Bossen

Tweederde van het totale oppervlak van het nationaal park bestaat uit bos. De bossen zijn ruwweg te onderscheiden in drie verschillende typen:

1. aangelegde grove dennenbossen
2. hakhoutbossen
3. vochtige loofhoutbegroeiing

1. Grove dennenbossen

De bossen in de De Meinweg bestaan voor het grootste deel uit aangelegd bos, Rond 1930 werd grove den aangeplant als werkvoorziening tijdens de crisisjaren. De stammen werden gebruikt als stuthout in de mijnen. Tegenwoordig wordt het geoogste hout van deze oude aangeplante grove dennen gebruikt voor timmerhout en krantenpapier. Slechts eenmaal in de vier jaar worden de bossen gedund. Hierdoor krijgen andere bomen meer ruimte. Bovendien valt er op de open plekken in het bos een tijd lang meer licht zodat er ook struikgewas kan groeien. Deze ondergroei is een uitstekende schuil- en slaapplaats voor broedvogels, reeën en wilde zwijnen.

2. Hakhoutbossen

Op de hei staan groepen bomen, vooral zomer- en wintereiken. Voorheen werden deze bomen gebruikt als hakhout. Eens in de tien jaar werden de bomen tot op de grond afgezaagd. De afgezaagde eiken gingen meestal niet dood maar liepen weer uit, vaak met verschillende stammen tegelijk. Het kappen van hakhout werd pas na de Tweede Wereldoorlog gestaakt. De doorgeschoten hakhoutbossen bestaan vaak uit eeuwenoude bomen.

3. Vochtige loofhoutbegroeiing

De Roode Beek en de Boschbeek hebben beide een natuurlijk, meanderend karakter. In de dalen van deze beken komt natte en vochtige loofhoutbegroeiing voor. Op de natste plekken groeien voornamelijk zwarte elzen met een rijke onderbegroeiing van slanke sleutelbloem, boswederik en goudveil. Op de overgang van nat naar droog komen soorten voor als hazelaar en kamperfoelie.

Heide

Vanaf het begin van de Middeleeuwen tot aan het begin van de twintigste eeuw was De Meinweg een groot gebied met uitgestrekte, door schapen begraasde heidevlakten, afgewisseld met eikenhakhout. Toen het houden van schapen minder rendabel werd, verdwenen niet alleen de schapen, maar ook de heide bij gebrek aan begrazing. Na de invoering van de kunstmest konden de schrale gronden bruikbaar gemaakt worden voor productiebossen of akkerbouw. Ontginning van grote delen van de heide was het gevolg. Gelukkig bleven er ook hele stukken heide ongemoeid.

Na de Tweede Wereldoorlog voerde staatsbosbeheer hier weer een heidebeheer. Door de afwisselende bodemgesteldheid komen zowel droge als natte heideterreinen voor. Op de droge heideterreinen groeit struikheide en pijpenstrootje, hier en daar afgewisseld met schapegras, schermhavikskruid en bochtige smele. Er groeien ook bomen: ruwe berk, zomereik, grove den en vuilboom. Op de zeer voedselarme delen is een grote verscheidenheid aan korstmossen te vinden. Op de nattere delen groeit dopheide met veenbes, kleine zonnedauw, gevlekte orchis en beenbreek. Ook de geurige gagelstruik groeit op nattere delen. Hier komt de adder veel voor.

Een aantrekkelijke en vaak verrassende afwisseling vormen de vennen in het heideterrein en de bossen: het Elfenmeer, de Rolvennen en de Vossekop. Er groeien vaak waterlelie en wateraardbei in. Langs de oevers van de vennen heeft zich op sommige plaatsen hoogveen ontwikkeld.

Water

Waterhuishouding

De Meinweg wordt direct beïnvloed door grondwaterstromen die vanuit Duitsland in de richting van het Roerdal en de Maas lopen. In vrijwel het gehele gebied komt infiltratie voor. Lokale kwel treedt op in de beekdalen (Roode Beek en de Boschbeek) en langs de onderranden van de verschillende terrassen. In het verleden hebben zich onder aan de steilwanden op tal van plaatsen vennen en poelen gevormd.

Als gevolg van toenemende wateronttrekking (drinkwater, industrie, landbouw, bruinkoolwinning) wordt verdroging van het gebied als een groot knelpunt ervaren. Grote delen in de Zandbergslenk en Drie Vennen (Gagelveld) lijken permanent op te drogen. Bovendien leidt het agrarisch gebruik van omliggende gronden tot vervuiling (verrijking met meststoffen) van onder andere het grondwater in bepaalde gebieden. De invloed hiervan is vooral de merken op het Beatrixplateau. De Provincie hecht veel waarde aan het terugdringen van deze verdroging van De Meinweg. Om het grondwaterpeil op goed niveau te houden zijn Integrale beheersplannen opgesteld.

Vennen

Doordat het meeste door de rivieren en de wind afgezette materiaal sterk waterdoorlatend is, kan het op de hogere delen gemakkelijk in de bodem wegzakken (inzijgen). Doordat in de diepere ondergrond plaatselijk ondoordringbare (klei-)lagen kunnen voorkomen, kan het grondwater op die plekken gedwongen worden om op lagere plekken weer aan de oppervlakte te voorschijn te treden als kwelwater. Op deze wijze ontstaan bronnen of worden vennetjes met water gevoed. Dit verschijnsel treedt vaak op aan de voet van de steilranden van de breuktreden. In de eerste helft van de negentiende eeuw bestond het Meinweggebied overwegend uit woeste grond met uitgestrekte heidevelden en grote heidevennen (onder andere de Bayekuil, het Geurtjesven, het Wit Venneken, het Elversmersven). Door de voortschrijdende ontginning en ontwatering verdwenen in de eerste helft van de twintigste eeuw de meeste grote heidevennen (onder andere De Meer, Het Herkenboscherven, het Elversmersven). De thans bekende vennen Elfenmeertje, Rolvennen en Vossekop bestonden in deze tijd nog niet en zijn later door turfwinning ontstaan evenals Turfkoelen en het Flinke Ven (begin twintigste eeuw).

De Roode Beek en de Boschbeek

Door insnijdende erosie van water zijn, loodrecht op de terrasranden, zijn twee beekdalen ontstaan: het dal van de Boschbeek en van de Roode Beek. Deze beken worden vooral gevoed door kwelwater dat afkomstig is uit de hogere niveaus. Beide beken vertonen nog een natuurlijk, meanderend karakter. Grindbankjes, vele stroom versnellingen, een goede waterkwaliteit en allerlei waterorganismen maken deze beken een waardevol aspect van het nationaal park. In de beekdalen komt natte en vochtige loofhoutbegroeiing voor. Langs de Roode Beek bestaat die begroeiing uit struwelen van vogelkers en zwarte els, met een rijke onderbegroeiing van slanke sleutelbloem, goudveil, boswederik en bospaardenstaart. Langs de Boschbeek vindt men wilgenstruwelen met vuilboom, zwarte els, verschillende wilgensoorten, gagel en zachte berk.