Klooster Sint Ludwig

Eind 1904 ‘ontdekten’ de Franciscanen nabij de Duitse grens een op een hoogte gelegen woest heidelandschap met dennebossen, op een steenworp afstand van de stationnetjes Dalheim en Vlodrop. In die dagen werd de spoorlijn Antwerpen Roermond-Monchengladbach nog voor personenverkeer gebruikt en de bouw van een klooster met internaat op een afgelegen plaats, maar toch door het spoor met de bewoonde wereld verbonden, achtte men ideaal.

Van 1905 tot 1909 werd ijverig gebouwd onder leiding van architect broeder Quintilian Borren en op 4 oktober 1909 werd het immense complex plechtig in gebruik genomen.
Eind vorige eeuw verrezen overal langs de Nedenlands-Duitse grens kloosters van Duitse broeders, paters of zusters. Reden hiervoor was de Kulturkampf van Von Bismarck, die veel kloosterlingen uit het koninkrijk Pruisen verdreef.

Dé stimulator achter de bouwplannen van St. Ludwig was pater Wenzeslaus Straussfeld, tot 1903 rector van Harreveld en daarna provinciaal van de Saksische Franciscanen.
De studiereis, die pater Wenzeslaus in het voonjaar van 1901 ondernam naar Zuid-Duitsland, Oostenrijk en Zwitsenland, is van grote invloed geweest op de bouwplannen voor het college St. Ludwig te Vlodrop-Station. Tot de herfst van dat jaar bezocht hij veel andere kloosterscholen. Van het vermaande kloostercomplex Maria Einsiedeln nam hij — voor zover dat nu nog beoordeeld kan worden door de Franciscanen — het basisplan over: de kerk moest in het midden staan en op die manier klooster en internaat van elkaar scheiden. Van de andere kant moest de centrale ligging van de kerk en voor zorgen, dat beide leefgemeenschappen rond het altaar verenigd konden zijn.

DORP

Het hoeft geen betoog, dat een internaat voor zo’n dikke 200 leerlingen ook behoefte had aan een groot klooster. Er wanen niet alleen paters nodig om les te geven en het internaat te leiden, maar ook broeders om alle onderdelen van dit complete dorp te runnen. Het college St. Ludwig was wat dat betreft nauwelijks van de buitenwereld afhankelijk. Men had een eigen aggregaat, dat voor de benodigde stroom zorgde, eigen afvoer en een bron, die voor de watertoevoer diende. In later jaren wend het complex op het Nedenlandse elektriciteitsnet aangesloten, maar tot op de dag van vandaag bleef de eigen bron compleet met watertorens voor de drinkwatervoorziening zorgen.

De uitgestrekte landerijen wenden door de broeders bewerkt. Ze verbouwden niet alleen groenten, graan en aardappelen, maar ook maïs en bieten voor de uitgebreide veestapel: kippen, koeien en varkens. Verder waren en een bakkerij, slagerij, kleermakerij, smederij en wasserij. Het is teveel om allemaal op te noemen, maar één ding is uit bovengenoemde rij duidelijk: St. Ludwig was helemaal selfsupporting. Niet te vergeten natuurlijk de fruitbomen, die geplant zijn om communiteit en internaat van ooft te voorzien. Zelfs de schoolbanken, stoelen en tafels zijn in de timmerwerkplaats van St. Ludwig gemaakt.

ERKEND

Na een bouwperiode van bijna vijf jaar werd het college St. Ludwig op 4 oktober 1909 met veel feestvertoon officieel geopend. Van 1909 tot 1940 en van 1951 tot 1977 werd St. Ludwig door ruim 3000 jongens bezocht. Van 1926 tot 1938 en van 1954 tot 1977 haalden 683 scholieren daar hun eindexamen.

Pas in 1926 werd het college St. Ludwig door de Duitse Regering erkend als Gymnasium Deutsche Schule im Ausland. Tot dat tijdstip moesten de scholieren bij diverse andere gymnasia in Westfalen eindexamen doen. Onder leiding van dr. Schellberg uit Berlijn werden de eerste eindexamens in St. Ludwig afgenomen. Tot 1926 was het aantal scholieren gemiddeld 200 geweest. Toen het college zélf eindexamens mocht afnemen, groeide dit aantal snel. In 1927 namen de paters ook kasteel Exaten te Baexem in gebruik als school voor de laagste klassen. Toen het Rijnlandse deel van de Saksische provincie van de Franciscanen zelfstandig wend, nam deze Franciscanertak Exaten over en vengrootte deze school. Merkwaardigerwijs volgt St. Ludwig nu het voorbeeld van Exaten. Toen de Franciscanen in 1967 uit Baexem weggingen, werd het klooster een school voor de rijkspolitie. Twaalf jaar later ging St. Ludwig onderdak bieden aan de gemeentepolitie.

ZAKKEN

Omdat St. Ludwig door de grote toeloop van leerlingen te klein werd, moest weer gebouwd worden: in 1931 werden de beide middelste vleugels aan de achterzijde met maar viefst twee etages verhoogd.

Het aantal leerlingen klom tot 279 in 1932 en bleef constant tot 1935 om vervolgens schrikbarend te zakken. Oorzaak hiervan was de deviezenwet van het Hitlerregime waardoor het de ouders van de leerlingen onmogelijk gemaakt wend de pensionkosten te betalen. Met kunst- en vliegwerk konden de paters het hoofd boven water houden, zodat geen leerlingen om financiële redenen naar huis gestuurd hoefden te worden. De pasbepalingen van de Nazi’s deden de deur van St. Ludwig echter voor veel scholieren dicht. De zwaarste slag kwam op 19 augustus 1938 toen de Duitse minister van onderwijs besliste, dat St. Ludwig niet meer als Duitse school erkend wend. St. Ludwig werd echter niet alléén de dupe van het Derde Rijk: ook de Duitse scholen in Baexem, Sittard, Steyl en Vaals werden niet meer erkend.

OORLOG

Op 1 juni 1940 verlieten de laatste scholieren St. Ludwig. Op 24 maart 1941 nam de Waffen-SS het college in beslag: zestig paters en broeders moesten het gebouw binnen enkele uren verlaten. Slechts de rector en zeven broeders mochten blijven.

In mei 1941 werd St. Ludwig gedeeltelijk aan de Franciscanen teruggegeven, maar het internaat- en schoolgedeelte bleef tot september 1944 in handen van het Duitse leger en wend gebruikt als levensmiddelenmagazijn van de luchtmacht. De kloostervleugel werd van 1943 tot 1951 bewoond door Nederlandse Franciscanen. Ook Russische arbeiders (600) woonden enkele maanden in het college en in januari 1945 werd St. Ludwig onverwacht als noodziekenhuis ingericht. De oorlogsjaren gingen bovendien niet ongemerkt aan huis en goed van St. Ludwig voorbij: de gebouwen leden schade door bommen en beschieting door de artillerie, terwijl een groot deel van het serviesgoed, meubels, bedden, veestapel en dergelijke verloren gingen. Ook een deel van de schoolinventaris waaronder enkele waardevolle verzamelingen wend ontvreemd.

POGINGEN

Na de oorlog verbleven ongeveer 200 kinderen van NSB-ers vier maanden lang op het college onder supervisie van het ministerie van justitie. Door bemiddeling van bisschop dr. G. Lemmens van Roermond wend de collegevleugel tot 1954 verhuurd aan Nederlandse jeugdzorginstanties. Direct na de capitulatie van het Derde Rijk ondernamen de paters al pogingen het college St. Ludwig te heropenen. In eerste instantie werd de school te Warendorf heropend. Dankzij bisschop Lemmens waren de onderhandelingen met de Nederlandse staat succesvol en in april 1950 gaf Nederland toestemming om Duitse scholieren naar St. Ludwig te laten reizen.

De bondsrepubliek erkende St. Ludwig weer als Duitse school in het buitenland en op 20 april 1951 gingen de poorten van St. Ludwig open. Daar de paters slechts over de helft van het complex konden beschikken, werden de scholieren in het klooster ondergebracht. Met Pasen 1954 kwam de collegevleugel ween vrij. Gelijktijdig mocht St. Ludwig weer eindexamens afnemen: 19 scholieren gingen met het eindexamenpapiertje naar huis.

HERSTEL

Inmiddels had de nieuwe directeur pater dr. Rainer Middel zijn schouders onder de wedenopbouw van het college gezet: voor en na werden alIe lokalen opgeknapt – er kwam zelfs een overdekt zwembad bij – en verbeterd, zodat en na enkele jaren niets meer van de oorlogsschade te zien was. Het leerlingenaantal steeg weer en gemiddeld 200 jongens kregen jaarlijks les in het college. Voor het herstel van het college, dat wijd en zijd een bijzonder goede naam heeft, en de goede contacten met de Nederlandse bevolking kreeg pater dr. Rainer Middel, die tot 1973 directeur bleef, op 10 november 1978 het Bundesverdienstkreuz.

Van 1951 tot 1969 telde St. Ludwig 1079 scholieren. Na 1969 veranderde en wat in St. Ludwig: de school, die al enkele jaren geen specifiek kleinseminarie meer was, werd ook toegankelijk voor externen. De mensen uit het nabije grensgebied zoals Dalheim, Birgelen. Wassenberg en Wegberg grepen de kans om hun kinderen dichtbij huis goed onderricht te laten volgen, gretig aan en bij aanvang van het nieuwe schooljaar eind 1970 deden 54 externen hun intrede.

Op 1 oktober 1976 besloten de Franciscanen St. Ludwig te verlaten. Wegens gebrek aan roepingen kon men klooster en school, die samen een klein dorp vormen, niet meer onderhouden. De school zou in drie jaar tijd afgebouwd worden en de paters besloten met de bisschop van Münster in zee te gaan en een kleiner gymnasium met alleen externen in Osnabrück over te nemen. Met diverse geïnteresseerden werden onderhandelingen gevoerd over de verkoop van St. Ludwig en op 4 december 1978 maakte staatssecretaris mr. H. Koning van binnenlandse zaken in het parlement bekend, dat het Rijk het complex zou aankopen als opleidingscentrum voor de mobiele eenheden van de gemeentepolitie in Nederland.

GEEN ELITE

In de loop der jaren hebben duizenden Duitse jongens het college St. Ludwig bezocht. Het gros der internen was afkomstig uit Noord-Duitsland, hoofdzakelijk uit Neder-Saksen, Oldenburg en Westfalen. Neemt men de families der studenten onder de loupe, dan kan maar één conclusie getrokken worden: het college St. Ludwig is nooit een eliteschool geweest; dit in tegenstelling tot menig ander Duits internaat.

Bij het uitreiken van het Bundesverdienstkreuz aan pater dr. Rainer Middel op 10 november 1978 in het college St. Ludwig, werd dit feit nog eens onderstreept door dr. Waiblinger, Duits consul te Rotterdam:

‘U hield consequent en met succes vast aan uw doel: scholieren uit de midden- en laagste bevolkingsklasse In staat te stellen een hogere opleiding te volgen. Ook bij de keuze van de leerlingen hebt U steeds dit principe voor ogen gehouden. Er is nauwelijks een Duits internaatsgymnasium te vinden waarvan de leerlingen voor meer dan 4/5 uit families stammen van wie de vader filet zelf de school bezocht heeft.’

De lovende woorden van de consul aan het adres van de schoolleiding kunnen met een voorbeeld onderstreept worden. Van de 400 jongens, die van 1954 tot 1978 eindexamen in het college St. Ludwig aflegden, hebben de vaders onderstaand beroep:

Boer: 20,3%
Geschoold arbeider: 19,5%
Employé: 12,3%
Ongeschoold arbeider: 9,0%
Vakman: 6,8%
Koopman, detallllst: 5,8%
Ambtenaar (middelbarerang): 5,3%
Mijnwerker: 3,3%
Onderwijzer: 2,7%
Ambtenaar (hoge rang): 2,5%
Ambtenaar (lage rang): 2,5%
Leidinggevende functie: 2,0%
Arts: 1,8%
Ingenieur: 1,8%
Werkmeester: 1,8%
Ambtenaar (zeer hoog): 1,2%
Mijnopzichter: 0,7%
Architect: 0,5%
Apotheker: 0,3%

CIJFERS

Om de buitenstaander enige indruk te geven van het immense klooster- en schoolcomplex St. Ludwig, volgt hier wat cijfermateriaal. De toegangsdeur in het midden van het complex is precies 663 meter verwijderd van de Nederlands-Westduitse grens. Het dak van St. Ludwig heeft een oppervlakte van 17.500 m2 en er zijn 9 miljoen stenen nodig geweest voor de bouw. Iemand, die ramen en deuren moet wassen, wordt haast moedeloos: er zijn welgeteld 1200 ramen en 600 deuren. Do uitzichttoren boven de ingang is ook flink hoog en bij helder weer kan men kijken tot Roermond, Heinsberg, Erkelenz en Hückelhoven. De oprijlaan is een hoofdstuk apart: oorspronkelijk lag hier een heuvel en de studenten hebben de laan – dat is links en rechts nog goed te zien – eigenhandig uitgegraven!